Hoe werkt figuurlijk taalgebruik? (1)

De meeste mensen gebruiken figuurlijk of niet-letterlijk taalgebruik met het grootste gemak. Waarom is dat zo? En waarom geven we vaak zelfs de voorkeur aan een indirecte formulering? We starten een langere serie gewijd aan figuurlijk taalgebruik.

Verschil letterlijk en figuurlijk taalgebruik

Kun je een helder onderscheid maken tussen letterlijk en figuurlijke taal? We beginnen met twee voorbeelden:

1) Jan loopt door de straat
2) Jan komt op straat te staan

De eerste zin nemen we letterlijk: het gaat om een bepaalde ‘Jan’ die de activiteit lopen uitvoert in een bepaalde straat. Bij de tweede zin gaat het ook om een bepaalde ‘Jan’, maar het ‘op straat komen te staan’ is versteende beeldspraak voor ontslagen worden. Figuurlijk taalgebruik dus.

Maar ook bij zin (1) is er sprake van een gecultiveerde interpretatie. ‘Door de straat’ zou ook ‘door het wegdek’ kunnen betekenen. Er is geen hard onderscheid te maken tussen letterlijk en figuurlijk. Maar tussen typisch letterlijk en typisch figuurlijk taalgebruik is er een duidelijk verschil.

Hoe weet je of je een zin figuurlijk moet nemen?

Wie een zin als (2) hoort, kiest voor de figuurlijke betekenis omdat hij of zij hier beter mee bekend is dan met een meer letterlijke interpretatie. Maar er speelt ook mee dat een letterlijke interpretatie een vreemde ‘zet’ in het gesprek zou zijn en dat de spreker een typische intonatie gebruikt die past bij de figuurlijke: ‘Ján komt op straat te staan!!!’

(wordt vervolgd)

Dit vind je misschien ook leuk...