Beeld: Erifyli Orli Tsavdari (Flickr, creative commons, uitsnede/tekst toegevoegd)


Er worden dagelijks nieuwe woorden bedacht door journalisten, politici, reclamebureaus en door gewone burgers. De kans dat een nieuwvorming ‘Van Dale haalt’ is niet zo groot, maar je kunt het lot een handje helpen. Een bekende vorm is een samenstelling met een bepaald stijleffect zoals alliteratie om een zekere ‘amusementswaarde’ te verkrijgen. Een paar voorbeelden van zulke neologismen: aaibaarheidsfactor, babbelbox, bedrijvendokter, boomchirurg, Bos-belasting, campingsmoking, draaideurcrimineel, flappentap, gelukscoëfficiënt, jalouzietax, jezussandalen, knuffelallochtoon, penspiano, radiopiraat, sjoemelsoftware, snuffelpaal, wipkip. Welke stijlmiddelen worden hier toegepast? En kun je een vindrecept voor zulke nieuwvormingen geven?

structuur

Van de voorbeelden die ik hierboven geef zijn de meeste van de vorm zelfstandig naamwoord + zelfstandig naamwoord. Babbelbox, sjoemelsoftware , snuffelpaal en wipkip zijn van de vorm werkwoordstam + zelfstandig naamwoord.

lengte

gelukscoëfficiënt is in bovenstaand lijstje het langste voorbeeld met zes lettergrepen en wipkip de kortste met twee. Optimaal is gok ik 2-4 lettergrepen.

stijlmiddelen

Klankhherhalingen zijn zeer kenmerkend:
alliteratie: babbelbox, bedrijvendokter, Bos-belasting, draaideurcrimineel, penspiano, sjoemelsoftware
binnenrijm: flappentap, wipkip
kreupel binnenrijm: campingsmoking

Een andere truc is om woorden uit twee registers of vakgebieden te combineren voor een verrassingseffect. Een informeel woord met een neutraal of formeel woord combineren is een favoriet middel:
informeel + formeel/neutraal: aaibaarheidsfactor, babbelbox, gelukscoëfficiënt, jezussandalen, penspiano, sjoemelsoftware, knuffelallochtoon, snuffelpaal
twee gebieden: bedrijvendokter, boomchirurg, campingsmoking, gelukscoëfficiënt, jalouzietax, knuffelallochtoon, penspiano, radiopiraat, sjoemelsoftware

Blijkbaar zijn samenstellingen met als eerste lid een tweelettergrepig woord op -el geliefd:
trochee op -el als eerste deel: babbelbox, knuffelallochtoon, sjoemelsoftware, snuffelpaal

Het helpt ook wanneer het woord een duidelijk beeld oproept:
beeldspraak: bedrijvendokter, boomchirurg, campingsmoking, draaideurcrimineel, flappentap, jezussandalen, knuffelallochtoon, penspiano, radiopiraat, sjoemelsoftware, snuffelpaal, wipkip.

Speciale effecten:
oxymoron: campingsmoking
dubbelzinnigheid: wipkip
framing: Bos-belasting, jalouzietax

conclusie

Dit was een verre van wetenschappelijk onderzoek, maar we kunnen toch een voorlopig recept voor dit soort neologismen geven:

  • Zoek in de eerste plaats naar combinaties van twee zelfstandig naamwoorden of werkwoordstam + zelfstandig naamwoord
  • Zoek bij een eerste lid een tweede lid dat allitereert of rijmt
  • Zoek twee woorden uit verschillende registers of categorieën
  • Kijk of je vondst een beeld oproept

Extra tip

Probeer iets te vinden met als eerste lid een woordstam op -el, bijvoorbeeld (met dank aan de Puzzelwoordenvinder):

adel, babbel, bazel, bedel, beitel, biggel, borrel, borstel, bottel, broddel, bubbel, buffel, buitel, bundel, bungel, cancel, cirkel, counsel, dartel, dobbel, doddel, doedel, doezel, dommel, dompel, drentel, dreutel, drevel, dribbel, dubbel, duikel, duimel, duizel, dwarrel, foetel, foezel, friemel, frummel, fröbel, futsel, gesel, giechel, gijzel, gniffel, goochel, googel, gorgel, grabbel, griezel, grobbel, gruwel, hagel, hakkel, haksel, handel, hekel, hemel, hengel, hevel, hinkel, hobbel, hoepel, hossel, huichel, huppel, hussel, ijzel, jengel, jodel, jubel, kabbel, kachel, kakel, kantel, kartel, kegel, keutel, keuvel, kibbel, kietel, kittel, klepel, klungel, knabbel, kneukel, knevel, knibbel, knuppel, knutsel, kogel, konkel, koppel, krabbel, kreukel, kriebel, krinkel, kronkel, kukel, kwabbel, kwakkel, kwebbel, kwispel, label, lepel, lispel, lummel, mangel, martel, mazel, mazzel, mengel, mergel, metsel, mispel, moffel, mommel, mompel, morrel, murmel, nagel, naggel, nestel, neuzel, peddel, pegel, pekel, pendel, peuzel, piepel, pimpel, pingel, pinkel, poedel, popel, potel, preuvel, prevel, priegel, prikkel, pruttel, puzzel, rafel, rakel, rammel, ransel, ratel, regel, rijmel, rimpel, rinkel, ritsel, rochel, roddel, rodel, roffel, rommel, ronsel, sabbel, sabel, sappel, schakel, shuffel, shuttel, sijpel, sjoemel, sleutel, smikkel, smispel, smoezel, smokkel, snabbel, sneuvel, snoezel, snorkel, snuffel, spartel, spiegel, spijbel, spikkel, staffel, stamel, stapel, stechel, steggel, stempel, stiefel, stippel, stommel, stuntel, sukkel, tackel, tafel, takel, tegel, teugel, tikkel, tingel, tinkel, tintel, tippel, tokkel, trappel, treuzel, troetel, troggel, trommel, tuimel, twijfel, twinkel, vijzel, waggel, wandel, wankel, warrel, wauwel, weifel, wemel, wentel, wichel, wiebel, wikkel, winkel, wissel, worstel, wriemel, wroetel, zadel, zetel, zwabber, zwatel, zwavel, zwendel, zwengel, zwiebel, zwijmel